



















• •
¦ INLEIDING
Wij nemen deze gelegenheid te boo! om U in de HONDA breeder
schap te verwelkomen alsook U He fehcileren voor he) fetl do) U deze
machine tussen de vele andere hebt geko2en.
Om U te helpen deze voortreffelijke machine in de ollerbeste toesland
te behouden, hebben wij \e Uwer voorlichling haar juisie wijzo von
behandeling en de regoLngen uileengezet wclkc van lijd tot tijd nodig zijn,
Wij raden U aan dtt boekje met aondacht to tezen opdat U met uwe
machine geheel vertrouwd zoudt 2ijn. *
1
INHOUD
Inleidrng............
Markonle kenmerken.........
Bedieningswenken..........
Wenken voor he) rijden........
Working von de voornaamste delen .
Nozien en rege'en........
Technische getjevens
1
3 4 11 15 20 34
MARKANTE KENMERKEN VAN HET HONDA 50 SPORT MODEL CS 50.
1. Longo duuriaamhcld von de motor.
Mel net gehruik van een met (celling gedteven bovenliggende nokkenos, it hel debiel lochl bij klcine of grote mt>|heid> londer ove*be1oiting. Smering onder druk wordl dooi de Ipndradromp gedoon, hetgeen, de duurroomheid von de eenheden verlcngt
2 G'ool gebied.
Met een uilttekend kroehldebiel over een grool gebied van motor »nelhedw, ii hoi rijden aongenoam on com fat-label, rowel hij gerinas ge inelhs b>< nachl wordl gemokkelnkei mel beholp von de fltoie koplomp
BEDIENINGSWENKEN.
ECHTE HONDA ONDERDELEN.
Om uw Honda motoriiwiel voor vele joren in doellreffende werking Ie behouden, is hei nodig do! ieder onderdeel van opperbeste hoedanigheid en voikomen accuroat is.
Wetlkhl zull U soms een onderdeel von uw HONDA moeten vervangen. Gebruik dan steeds enkel echle HONDA onderdelen op uwmotor.iwnl.Dj echle HONDA onderdelen worden mel hoog accurate werktuigmach.nes uit "l,sf^ende mo«rialen gemoakt, en zi( warden gefobnceerd met streng nakomen von dezelfde blauwdrukken der oorspronkelijke onderdelen.
Indien U hetzii wal ook over HONDA onderdelen wens! te weten, vraag het oan uw HONDA verdeler.
BUITEN IEMPERA1UUR
+ 15
F
+ 59
™-*™-
SAE GROEPEN
SAE#3Q
• SAES20 of SAEtf 20 W
#SAE#I0W
SMEERf/IDDEl
BRANDSIOF
Bi| het vullen.
Gebruik slechls minerale olien stemmend met MS of DG in Diensl Rongschikking.
Bij het vullen. overeen- Gebruik iteeds een hoge-grqnd benzine
do API van oetaangetal 90 +. Veimeng geen
olio met benzine. Loot geen onzuiver-heden toe in uw brandstoftqnk.
5
DAGEUJKS NAZICHT.
Een behoorlijk nozicht verlengf de duur vonuw motorijwiel.
1. Is de bediening van de stuirhandgteep gemakkelijk ?
2. Is de speling onn de voor:l« remhandgreep 2-3cm ?
3. Is de loop \on hel ochter-rempedaal 1-1.5cm?
4. Werkt de aandrtjfkoppeling behoorlijk ?
5. Werken de voor- en ochteiveiing behoorlijk?
6. Werken koplamp, achleilichl en slopl ichf goed ?
7. Klinkf de signaalhoarn behoorlijk ?
8. Werken de richtinaj aanwijzers goed ?
9. Is de motorolie op heel de dieple von de meetlat ? ;0.73l.).
10. Is er voldoende benzine in de bra ndstof tank ?
11. Is de spanning van de voo*bcind juist ? De normale bondspanning is 1,6Kg/cm". De spanning voor het dragen van zware losten of om oan grote snelheden le rijden is 1,8 Kg/cm-.
12. Is de spanning van de achterbond juisl ? De normale bondspanning is 2 Kg/cm-'. De spanning voor hel dragen van zwarc losien of om oan grote snelheden le rijden is 2,2 Kg/cm-.
13. Heefi hel uitlaotgas een normale kleur ?
14. Is de drijfkelling behoorfnk geregeld en gesmeeid ?
NAZICHT VAN DE VASTHEID VAN MOEREN EN BOUTEN Deze moeren en boulen moeien alle weken worden nagezien,
1. Voor- en ochrerwie I moeren.
2. Bovenbouten von voorophanging.
3. Onderbouten van voorophanging.
4. Spilboulen van voorvork.
5. Boven- en onderbouten von achter-ophonging.
6. Spilbouten van achlervork.
7. Moerenbouten von drooimomenl koppol van voorrcm.
8. Moeren van droimomentatm van achterrem.
9. Moerenbouten van stuurhandgreep.
molor-ophan-
10. Moerenbouten van p'fflfl-
11. Versnellmgsbok monleerboulen van
snelheidsmeter.
12. Voor- en achterwielspaken.
8
B)j HEt PARKEREN i
W*T><^^^^^^ 1. Sloit de brandstotkraan.
'tt^m^^^k 2. Neem de sleutel wea van net scha-kelbord.
3. Sluit het stuurslol (Zie tekening 1j.
^^^^^^t
^ \ OPGELET :
ft • Verwarm de motor oan kleine snel-heid gedurende ongeveer twee m-nu-ten vooraleer 1e rijden. Als de motor koud is circuleert de smeerotie niet qoed en werkl de carburator niet behoorlijk.
T»kg. 1
• Loot de motor niet onnodig door-slaan. Het is schadelijk voor de motor hem aan een overmotige snel-heid zonder belaslincj te Iti'en lopen.
9
• Zet het motorrijwiel zochtjes aan on verander de gangwissel vorgens de jnelheid. Overmatig hoge snelheid me! lichte belasling it scbndelijk voor de motor.
• Schakel zachtjes over door op de versnellingshefboom lichl met uw teen te drukken of le trekken. Schakel steeds zacht over en nooit met geweld of ruwheid. Ruwe overschokeling heeft als gevolg snclle slijtage van l>el deksel van de versnellingshefboom enz.
• Voer uw moiorrijwiel niet zonder luchlfilier, won! nidus zouden vuil er> siof in d; motor worden opgeslorpt en dil veroorzaakt snelle slijtage.
REINIGEN EN WASSEN VAN HET MOTORRIJWIEL
• Plastic sn geschilderde delen.
Rcinig de plastic en gesclulderde oppervlakken mat een zochle zeep en water, en
spoel degelijk af.
• Motor delen.
Gebruik zeep en water oF in tit hartdel te bekomen reimgingsmiddelen voor het reinigen von molordelen.
• Opgelol :
Reimg de zodels nier met oplosmiddelen of benzine.
10
IN GANG STELLEN VAN DE AANDRIJFDELEN.
AANZETTEN :
I. Droat de heffcoom "0" de bra r-dtlord roan • Open < >'Tekg 7\. i. Sp'OOi de motor iTekg. 3). 3. O'ool do tehokeli'eulsl op • I ¦•
4 Open de imoorklop ongovocr op 1/4 «n trap «ievig op •mnielpodaal.
5. Door de caiburalor e*n ontloinngtklep Wfl, vorwarm de moor oon mlddelmol.ge melhe.d Indent he' iproeren
OPGELET :
Alt de motor reedi warm n, o< in een warm klimaol. lean hel aoniellen londec iproenng gcbeuten
;2de Irede). Votfl don ilechli tredtn 1, 3 en *.
M, B ; De brandtfofkroan op de • RfS • itond geptoot.l. leal hsi gebru* 10* von de ben*..,*.reierve Nadat de ¦ RES - ilond G-br^kl .*, mW de brandiloftonl lodra n.ogel,|V opmouw wofden C«*uld Hel moiorriiwiel heefl e^n wwkingi' i :-n bi| ilog «" mo'or oonieVea ,'hoornsignool. Kan niel warden
dioaiiignolen " itoplicht aon). weggetionieii
Ri|dcn bij tiocht en moio> oaniettr-n (olla vailighaid*- Kan m«l wo'dcn
apparalen mah hchlen, hoorntigncol «n». aangerar). weggenamen
16
KOPLAMP.
RtGfLSCHPOEF
Tekg. 8
Tekg. 9
1. Als de onlslekingssleutel in de slnnd II wordl gedraoid, gnat de koplomp aon
tchaUlaar noor ischli goduwd — Grole *lroal (6 V. 15 W.> (Tekg. 8). ichotioloor noar link* goduwd • Kloine iirool |* V 15VV.I
Gebtuik de kleine sltoal om tn de slad le rijden, of op slechle bonen en om andere
voeriuigen legemoel le komen.
2. De slroal van de koplamp moel gerichl zijn om een ruimle von 50 meters vobt het mo.ornjwiel te vedichten.
3. Regel de koplampstraal door de schroef of le slellen. Jekg. 9).
17
DRAAIMGNALEN.
K Als. de schokelsleutel op stand * I > of « II » stoat, kunnen de signalen gebruikt warden.
Draaiiignoalfcnop op « R » = wiiit rtcriUdroaien o«n. Draaitignaalbnop op * L - = wijsl linkidraolen nan
7. De normale gloeilamp voor flikkerlichl is van 6 V. 8W.
N B. AU men <¦"¦'¦ g'oeilamp mo* ecu and 4 behoorlnk w«rUn.
Tokg, »0 (WaH) vormoo.cn gebruikt, vol hrt flikkerlicfll niel
18
STOPLICHT
1* Het -sloplicht werkt als de schakelsteutel in stand I of II is.
2. Regel de stoplichtschakelaar zo dat het sloplicht oangoQt als rempedoal nciar bene-den gedrukt door waar de ochlerrem begin! in te schakelen.
3. Om de stoplichtschakelaar te regclen, mook de moer « a » Ids en regel mat moer * b ». ;Tekg. 11).
— AH moer rcch'* j* aangedraoid. dan QQa *loplich1 vroegcr aan.
— All moer hnkt I* oongcoVooid, dan 900! tloplicht loter aan*
4. De normale (standaard) qloetlamp voor een sloplicht is van 6V. 10W.
Tckg 11
ACHIERLICHT
1, Het achtierhcht gaol can als de ontstekingssleutet in stand II is.
2. De standaord gloeilomp voor een achferlicht is ^oty 6 V. 5 W, Een gloeilamp bevat zowel sloplicht als achlerlicht gloeidraden.
19
INSPECTIE EN REGELING.
Ttfcg. 12
N B De HONDA CS 50 i* allijd lo
OPGtlfT
Do rem «i
oon war* « reddingltjn • Controle-er k rondflr four olvoront te njden.
Tefcfl ?3
28
REGEtEN VAN ACHTERREM.
1, Er moet 2-3 cm loop in het ochterrempcdaal ztjn vooraleer de rem begint in I© schokelen ;Tekening 24).
2. Om da achterrem te regelen, drooi de regelmoer. Tekening 25). Mot do 'egclmocr nocr rechti to draaion. vermindort de loop-Met do rogolmoo' naor link* t« draaion, vcrgroof do loop.
OPGELCT i Oo rem h een war* - reddinglijn - Controller te londcr foul olvortn* I* njden
Tekg, 24
Tokg. 25
29
REGELEN VAN DRIJFKETTING.
Tokg. 26
1. Er moet 1-2 cm- ontsponning in de drijfkeHing zijn, in hot midden lussen de tandwielen [Tekening 26),
2. Om de ketting te regelen, maak do osmoer en de moimoer los en draai de regelmoerea |Tekening 27).
A'i dr rcgclmoeren noor ruh \ worsen ge-
drocid - v/ordi dc ketting aeioannen
Ah do rcgelmocren noor link* worden ge-
drdehoorlijk noor de mo'or worden geleid* Vorteker U dot tr gaen olie of wotcf mel her element In oonroking komon
bevorderl zachte nazicht moei dus
fotos von moet het regelmalig worden gesmeerd.
31
REINIGEN VAN GELUIDSDEMPER.
\. No«m de boul w*q en de ve uilze'lingslype.
43
Banden, voor en achter
36
63
75
mm,
2,25 - 17.
Brcmdstoflank — Totole ihhoud i 5,5 lit.
Reserve: 1,—lit.
AFMEHNGEN
Voile lencjle
Voile breedte
Voile hoogle
Wielbosis
Vrije tuimie boven weg
Gewitht imei benzine)
Droog gewichl
Klimv«rmogen
Minimum dratustraol
1764 aim
615mm
913 mm
1.150 mm
125 mm
77 kg
68 kg
U
1960 mm
37
CURVEN VAN MOTO«KENTEKEN$ T
CUHVEN VAN RUPBfSTATIES,